Zaterdagzoetjes

 

 

 

9 oktober 2021, J.C. Bloem:

De Gelatene

Ik open 't raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatste te beminnen.

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunk’ren naar onverganklijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

 

2 oktober 2021, Hans Faverey:

Een foto van 11 september

Zodra ik mijn ogen opsla
is het onzichtbare mij ontglipt
en begin ik te zien wat ik zie:
herinneringen aan wat ik zag
en ooit al zal zien. Door te zien
blijf ik mij herinneren;
en hoop ik dat ik besta.
Vooral als ik naar haar kijk
wanneer zij zo haar hand door
haar haar haalt, haar elleboog
steunend op haar knie, en zij
iets tegen mij zegt.

 

25 september 2021, Emily Dickinson:

Nature — the Gentlest Mother is,
Impatient of no Child —
The feeblest — or the waywardest —
Her Admonition mild —
In Forest — and the Hill —
By Traveller — be heard —
Restraining Rampant Squirrel —
Or too impetuous Bird —
How fair Her Conversation —
A Summer Afternoon —
Her Household — Her Assembly —
And when the Sun go down —
Her Voice among the Aisles
Incite the timid prayer
Of the minutest Cricket —
The most unworthy Flower —
When all the Children sleep —
She turns as long away
As will suffice to light Her lamps —
Then bending from the Sky —
With infinite Affection —
And infiniter Care —
Her Golden finger on Her lip —
Wills Silence — Everywhere —

 

18 september 2021, uit Wat er overblijft - Bert Kooijman:

Bloed begrenst

bloed, zegt hij
en tussen twee keien
is geen minzaamheid.
Geen begin begint.
Geen einde eindigt.
Het eindige ruilt uit.
Het beginnende sluit in.
Alsof weemoed nergens
kan schuilen als
in vingerspitsen
tederheid.

 

11 september 2021, Wislawa Szymborska:

Een foto van 11 september

Ze sprongen uit de brandende etages
naar beneden -
een, twee, nog een paar,
hoger, lager

Een foto hield ze levend tegen
en bewaart ze nu
boven de aarde naar de aarde toe.

Elk van hen is nog een geheel
met een persoonlijk gezicht
en bloed dat goed verborgen is.

Er is tijd genoeg,
voor het haar om los te waaien,
voor de sleutels en het kleingeld
om uit de zakken te vallen.

Ze zijn nog steeds in het bereik van de lucht,
binnen de kring van de plekken
die net zijn opengegaan.

Ik kan maar twee dingen voor ben doen -
die vlucht beschrijven
en geen laatste zin toevoegen.

Vertaling: Gerard Rasch

 

4 september 2021, Toon Tellegen:

Ik ben een landschap

Ik ben een landschap,
laten we een landschap van mij maken,
laten we in een auto aan komen rijden en uitstappen,
laten we door een hek naar mij kijken

Een van ons moet zeggen:
misschien is er wel een schat in dit landschap,
laten we gaan graven,
laten we goud vinden.

We klimmen over het hek heen.
We graven.
We graven verbeten.
We vinden goud.
Goud! Goud!
Maar wat kan goud ons eigenlijk schelen?

We leunen op onze schoppen.
Hoog boven ons de wolken.
Laten we tevreden zijn met niets,
laten we weer verder rijden.
De zon mag ondergaan in dit landschap,
mag zijn laatste stralen over de velden laten glijden,
over de toppen van de bomen, tegen e heuvels op.
Wij rijden ergens anders heen.
Wij zingen, onze raampjes zijn open, onze radio staat aan.

 

28 augustus 2021, Martinus Nijhoff:

Herinnering

Moeder, weet je nog hoe vroeger 
Toen ik klein was, wij tezaam 
Iedren nacht een liedje, moeder, 
Zongen voor het raam? 

Moe gespeeld en moe gesprongen, 
Zat ik op uw schoot, en dacht, 
In mijn nacht-goed kleine jongen, 
Aan 't geheim der nacht. 

Want als wij dan gingen zingen 
't Oude, altijd-eendre lied, 
Hoe God alle, alle dingen,  
Die wij doen, beziet, 

Hoe zijn eeuw'ge, groote wond'ren 
Steeds beschermend om ons zijn, 
- Nimmer zong je, moeder, zonder 'n 
Beven dat refrein - 

Dan zag ik de sterren flonk'ren 
En de maan door wolken gaan, 
d'Ouden nacht met wijze, donk're 
Oogen voor me staan.

 

21 augustus 2021, Francisca Joffers:

Dag Student.

Ooit was jij mijn kleine grote man
Je speelde dat je ridder was, te paard
Wat een vrienden heb je toen vergaard!
een ridder heeft tenslotte veel élan

Onderweg naar opa zag jij ooit
een agressieve heer in het verkeer, je
sprak terwijl ik angstig manoeuvreerde:
“ik heb een zwaard mam, ons krijgen ze nooit”.

Schoolziek, mensziek namen we de wijk
En liepen ooit op ‘t Scheveningse strand
We zochten samen schelpen, hand in hand,
Hoe blij je uitriep: mama we zijn rijk!

Die rijkdom kon ik absoluut beamen
de schatkist voor een lang geluk gevuld
met onschuld en gewin, ze vielen samen

nu zijn jouw schelpen, paard en zwaard verruild
voor Ipad, studieschuld en rijexamen
schuldeloos blijft liefde’s “ooit” onthuld

 

14 augustus 2021, uit Mensagem (Message) (1888-1935) - Fernando Pessoa:

MAR PORTUGUÊS

Ó mar salgado, quanto do teu sal
São lágrimas de Portugal!
Por te cruzarmos, quantos mães choraram,
Quantos filhos em vão rezaram!
Quantos noivas ficaram para casar
Para que fosses nosso, ó mar!

Valeu a pena? Tudo vale a pena
Se a alma não é pequena.
Quem quer passar além do Bojador
Tem que passar além da dor.
Deus ao mar o perigo e o abismo deu,
Mas nele é que espelhou o céu.

Vertaling zie:

 

7 augustus 2021, Francisca Joffers:

Woning

Jij brengt de ochtend als een leeuwerik
Blauw, vroeg in de ochtend klinkt het
Luid en duid’lijk in mijn oren dwingt het:
Geef acht en bouw en blijf! Jij bangerik!

Het blauw blauw blauw om in te zweven
draaien, stijgen, wachten, weer te zinken
In het diepe oude blauwe blinken
Jij droomt mij in ‘t oude waterleven

Geluid en snelheid sluiten een verbond
Waardoor ik over dag en kracht beschik
De woorden stromen vrolijk uit mijn mond

Alleen in mijn gedichten woonde ik
Maar blauwe zuurstof maakte mij gezond
Hemel ontsloten in een ogenblik

 

31 juli 2021, uit gedichten 1938-1970 - Cees Buddingh:

1 + 1 = 1

Ik heb nooit hard gelopen
om dichters te ontmoeten
maar mij wel vaak buiten adem gefietst
om op tijd bij een voetbalwedstrijd te zijn

het moet, in de poëzie,
niet van één kant komen

 

24 juli 2021, uit Alcools (1913) - Guillaume Apollinaire:

Le pont Mirabeau

Sous le pont Mirabeau coule la Seine
           Et nos amours
     Faut-il qu'il m'en souvienne
La joie venait toujours après la peine

           Vienne la nuit sonne l'heure
           Les jours s'en vont je demeure

Les mains dans les mains restons face à face
           Tandis que sous
     Le pont de nos bras passe
Des éternels regards l'onde si lasse

           Vienne la nuit sonne l'heure
           Les jours s'en vont je demeure

L'amour s'en va comme cette eau courante
           L'amour s'en va
     Comme la vie est lente
Et comme l'Espérance est violente

           Vienne la nuit sonne l'heure
           Les jours s'en vont je demeure

Passent les jours et passent les semaines
           Ni temps passé
     Ni les amours reviennent
Sous le pont Mirabeau coule la Seine

           Vienne la nuit sonne l'heure
           Les jours s'en vont je demeure

Vertaling zie:

 

17 juli 2021, Edna St. Vincent:

Sonnet 30

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

Vertaling door Herman de Coninck:

Liefde is niet het einde. Is geen eten en drinken.
Is geen dak boven het hoofd tegen de regen,
geen reddingsboei voor wie verdrinken.
Liefde is nergens voor en nergens tegen.
Liefde biedt geen uitkomst tegen de dood.
Vult geen lege longen met lucht. Verricht geen wonder,
tenzij dat je elke dag al een beetje sterft in mijn schoot.
Je hebt er niets aan maar je kunt niet zonder.
Het kan best zijn dat ik in toekomende tijd,
verslagen van pijn en kreunend om respijt,
gesard door armoe en moe van het huilen
jouw liefde voor rust zou verruilen,
of de herinnering aan vannacht voor een kleiner verdriet.
Het kan best zijn. Maar ik geloof het niet.

 

10 juli 2021, uit Toen het moest - Micha Hamel:

Glorie

Hoor es jongens ik loop daarnet langs de spiegel
jullie weten dat en hoe ik glimlach als ik interesse

veins klantje voor een wedergeboorte meneer krast het
metaal terwijl ik eerlijk niet om een levensloopregeling

vroeg en daarbij zag ik mezelf ook weer niet en ook weer
wel en ook basta want met alles inclusief de zorgen gaat

het goed sinds ik inzicht opdeed in wat ik kreeg en wie mij
dreef hoe kronkelig onze leercurve onafgebroken stijgt en

al weten mijn huisgenoten van zesentachtig procent van de
namen in mijn telefoon bij *@## ^*)+~^ niet wie het

zijn, toch is het tijd om de wijnkelk te heffen, elkaar aan te kijken
en te zeggen het glas is vol als je de lucht erin meerekent

 

3 juli 2021, Hans Faverey:

Net als ik zeg

Net als ik zeg: er is niets meer,
ik ben niets meer, hoor ik wat.

En het begint weer helemaal
opnieuw:
daar heb je mij weer.

Als ik het zelf niet was,
help jij mij dan zeggen
wie ik ben.

 

26 juni 2021, Nora Petit:

Het geluk is maar zo klein

het geluk is maar zo klein
een handvol woorden
wie weet ervan dan de dichter
hij hoort het woord liefhebben
en hij heeft lief
hij hoort het woord begraven
en hij begraaft zijn liefde
hij hoort het woord leven
en hij staat op.

 

19 juni 2021, uit Onder het veeRutger Kopland:

De Roeier

Vanavond trok de mist over de wei
alsof de aarde zich opende en
het grondwater buiten zijn oevers trad

paarden en koeien raakten vlot en
als in een moeras uit de oertijd
dreven tenslotte alleen nog koppen en ruggen voorbij

van het geboomte aan de overkant
maakte zich iets los waarvan ik dacht
dat het een roeier was die overstak voor mij.

 

12 juni 2021, uit Verschiet Anneke Brassinga:

Aanzoek

Ik ben al vaak door mezelf op straat gezet,
heengezonden, onbewoonbaar verklaard,
uitgerookt, door ploffende kachels beroet.
En nu hier, het lekt er en tocht. Te moe
voor ander onderdak. Maar ruimte is er
te over voor wie ik bij me heb, in armen sluit
als liefste, doorluchte, als kroonluchter
ontvlammen laat, in rust voel aan 't geraamte.

Een klein maar taai oneetbaar hart blijft fier
zich weren tegen binnenschuivend donker. Blijf.
Blijf met mij hokken in dit schrale ribbenkast
in het innig bed van geest, bij het weerlicht
getemperd door weemoed, van ons verstand.

 

5 juni 2021, uit Als we vlammen waren - Toon Tellegen:

Een man dacht:
wanneer zal ik eens één minuut niet aan haar denken?
Nu?
Hij ging zitten
en dacht één minuut niet aan haar.

Toen stond hij op en wandelde verder, dacht verder,
steeds verder, zonder tussenpozen,
aan haar.

 

29 mei 2021, Hermann von Gilm:

Die Nacht

Aus dem Walde tritt die Nacht,
Aus den Bäumen schleicht sie leise,
Schaut sich um in weitem Kreise,
Nun gib Acht!

Alle Lichter dieser Welt,
Alle Blumen, alle Farben
Löscht sie aus und stiehlt die Garben
Weg vom Feld.

Alles nimmt sie, was nur hold,
Nimmt das Silber weg des Stroms
Nimmt vom Kupferdach des Doms
Weg das Gold.

Ausgeplündert steht der Strauch:
Rücke näher, Seel’ an Seele,
O die Nacht, mir bangt, sie stehle
Dich mir auch.

Zangstudio Heeslust support het Internationaal Liedfestival Zeist op 5 en 6 juni:
https://mailchi.mp/1eae873a5963/luister-6-juni-naar-die-nacht-8730162 

 

22 mei 2021, Carol Ann Duffy:

Prayer

Some days, although we cannot pray, a prayer
utters itself. So, a woman will lift
her head from the sieve of her hands and stare
at the minims sung by a tree, a sudden gift.

Some nights, although we are faithless, the truth
enters our hearts, that small familiar pain;
then a man will stand stock-still, hearing his youth
in the distant Latin chanting of a train.

Pray for us now. Grade 1 piano scales
console the lodger looking out across
a Midlands town. Then dusk, and someone calls
a child's name as though they named their loss.

Darkness outside. Inside, the radio's prayer -
Rockall. Malin. Dogger. Finisterre.

Gebed

Soms kunnen wij niet bidden, maar ontstaat
vanzelf gebed. Zo tilt een vrouw ’t hoofd uit
het vlechtwerk van haar handen, ondergaat
ze ’t zingen van een boom, een nieuw geluid

soms lukt geloven niet maar treft het ware
ons hart, zo’n lichte welbekende pijn;
en krijgt een man een schok, na al die jaren,
van ’t verre rijtjes dreunen van een trein.

Bid voor ons. “Boer daar ligt een kip in ’t water”
Brengt de kostganger op zijn kamer troost
Als hij naar buiten staart. Het worst al later,
Er wordt een kind geroepen, vreugdeloos.

De nacht valt. Binnen, radiogebeden-
Millingen. Lobith. Cuijk. Grave beneden.

Vert. Jan Wouter Zwart

 

15 mei 2021

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (e)nda thu uuat unbidan uue nu... (ca 1100)

Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?

 

8 mei 2021, John Keats:

La belle dame sans merci

O what can ail thee, knight at arms,
Alone and palely loitering?
The sedge is wither'd from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight at arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel's granary is full,
And the harvest's done.

I see a lily on thy brow
With anguish moist and fever dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads
Full beautiful, a faery's child;
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She look'd at me as she did love,
And made sweet moan.

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery's song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna dew,
And sure in language strange she said-
“I love thee true.”

She took me to her elfin grot,
And there she wept, and sigh'd full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lulled me asleep,
And there I dream'd-Ah! woe betide!
The latest dream I ever dream'd
On the cold hill's side.

I saw pale kings, and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried-"La belle dame sans merci
Hath thee in thrall!"

I saw their starv'd lips in the gloam
With horrid warning gaped wide,
And I awoke, and found me here
On the cold hill's side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is wither'd from the lake,
And no birds sing.

La belle dame sans merci

'Geharnast ridder, ach, wat scheelt je,
Jij bleek en eenzaam zwerveling?
De biezen sterven af in 't meer en
Geen vogel zingt.

Geharnast ridder, ach, wat scheelt je,
Zo weggeteerd en diep gekweld?
De eekhoorn heeft zijn schuren vol en
De oogst is van 't veld.

Je voorhoofd laat een lelie zien,
Zo klam van angst, bedauwd door koorts,
En op je wangen staat een roos
Die snel verdort.'

'In grazig land vond ik een vrouw,
Zo schoon was zij, Een feeënkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar blik ontzind.

Ik vlocht van bloemen krans en band
Voor om haar hoofd, haar leest, haar pols;
Zij keek mij aan met zoet gekreun.
Zo liefdevol.

Ik nam haar op mijn snelle ros,
Oog voor iets anders had ik niet,
Zij boog zich steeds opzij en zong
Een feeënlied.

Zij vond mij wortels, fijn van smaak,
En honing wild en mannadauw,
En in een vreemde taal sprak zij:
"Ik hou van jou."

Zij bracht mij naar haar elfengrot,
En staarde maar en zuchtte zwaar:
Haar ogen wild, met kussen vier
Sloot ik haar daar.

Haar zingen suste mij in slaap,
Daar droomde ik toen -- Wee mijn ziel!
De laatste droom door mij gedroomd
Op de heuvel kil.

'k Zag bleke vorsten, prinsen bleek,
Strijders zo bleek, zo doods als 't graf,
Hun kreet: "La belle Dame sans Merci
Maakte jou slaaf."

Bij schemer zag 'k hun dorre mond,
Bar waarschuwend, geopend wijd,
Werd wakker, op de heuvel kil
Bevond ik mij.

Dat is waarom ik hier verblijf,
Een bleek en eenzaam zwerveling.
Al stierf de bies in 't meer terwijl
Geen vogel zingt.'

Vert. Peter Verstegen

 

1 mei 2021, K. Michel:

Herinneringen, wie onthoudt die nou
ze schieten door je kop, ze lossen
als klaprozen op

het is net jeuk daar
waar je niet krabben kunt,
nee daar, ja daar, au

iemand achter je op de roltrap
die zijn handen “rara wie ben ik”
Voor je ogen houdt, herinneringen:

jij vergeet hen maar zij onthouden jou

 

24 april 2021, Vladimir Nabokov:

Zachtste aller talen

Tot heel wat dingen sprak ik wat lippen misleidt
en ze verlaten achterlaat (: prosjtsjaj, het woord dat
‘vaarwel’ betekent) - tot gemeubileerde kamers, zei ik het,
tot straten zei ik het, tot melkwitte oplosletters in de lucht,
tot grauwe patronen die je zelden op kleding ziet,
tot romans, door razende tunnels onderbroken,
door zoevende bomen geannoteerd, liggen gelaten
met de schil van een banaan erin geplet,
tot een nog schimmige ober in een nog schimmigere stad,
tot wonden die genazen en tot een handschoen die geen duim
meer had, evenals tot zaken met poëtische allure
en universelere misschien, tot onder meer de liefde.
Daardoor was het leven een eindeloos spoor door land
dat even eindeloos terugweek… Dat was het dan,
zeg je bij jezelf, en je wuift met je hand,
wuift met je zakdoek en dan met je hoed.
Tot al deze dingen sprak ik het fatale woord,
in een taal die ik zo afgesteld had en gedresseerd
dat ik - als zo’n oude sonnettendichter - kon horen
hoe de weerklank ervan door het nageslacht werd hooggeacht.
Maar nu moet ook jij gaan, onze wegen gaan hier uiteen,
zachtste aller talen, mijn enig ware, mijn ene, vaste…
En mij rest niets anders dan naar kunst en hart te tasten
en opnieuw te beginnen met lompe werktuigen van steen.

Vert. Huub Beurskens 

 

17 april 2021, Anti-Canto 7 - H.H. ter Balkt:

Ach

Dit dorp, ach
dik in ’t blad; roze.
Zomers bestofter
dan jij en ik ooit
dekten ons toe.

Kinderen groene
noten schommelden.
Waren, zoveel wegen,
Waar blaast, voert
wind naar ons toe.

Weer herfst onder
wol, blad overdekt
de grond, veel mist:
herinner je; ’t felst
geel verbleekt er.

Geen harteklop
of wil, hoe de zon
’t water blakert:
de vis kapseist en
lelietje van het dal.

Snik; schater. Tijd
de gemene tijd rijpt
sneeuw en noot. Vol
of leeg sluit (witte
dag) kou zijn ring.

 

10 april 2021, uit 111 Hopla's - Judith Herzberg:

Boontjes
Als je goed naar sperzie-
boontjes kijkt, zie je iets
dat op dolfijnensnuitjes lijkt.