Zaterdagzoetjes

 

 

8 mei 2021, John Keats:

La belle dame sans merci

O what can ail thee, knight at arms,
Alone and palely loitering?
The sedge is wither'd from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight at arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel's granary is full,
And the harvest's done.

I see a lily on thy brow
With anguish moist and fever dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads
Full beautiful, a faery's child;
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She look'd at me as she did love,
And made sweet moan.

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery's song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna dew,
And sure in language strange she said-
“I love thee true.”

She took me to her elfin grot,
And there she wept, and sigh'd full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lulled me asleep,
And there I dream'd-Ah! woe betide!
The latest dream I ever dream'd
On the cold hill's side.

I saw pale kings, and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried-"La belle dame sans merci
Hath thee in thrall!"

I saw their starv'd lips in the gloam
With horrid warning gaped wide,
And I awoke, and found me here
On the cold hill's side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is wither'd from the lake,
And no birds sing.

La belle dame sans merci

'Geharnast ridder, ach, wat scheelt je,
Jij bleek en eenzaam zwerveling?
De biezen sterven af in 't meer en
Geen vogel zingt.

Geharnast ridder, ach, wat scheelt je,
Zo weggeteerd en diep gekweld?
De eekhoorn heeft zijn schuren vol en
De oogst is van 't veld.

Je voorhoofd laat een lelie zien,
Zo klam van angst, bedauwd door koorts,
En op je wangen staat een roos
Die snel verdort.'

'In grazig land vond ik een vrouw,
Zo schoon was zij, Een feeënkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar blik ontzind.

Ik vlocht van bloemen krans en band
Voor om haar hoofd, haar leest, haar pols;
Zij keek mij aan met zoet gekreun.
Zo liefdevol.

Ik nam haar op mijn snelle ros,
Oog voor iets anders had ik niet,
Zij boog zich steeds opzij en zong
Een feeënlied.

Zij vond mij wortels, fijn van smaak,
En honing wild en mannadauw,
En in een vreemde taal sprak zij:
"Ik hou van jou."

Zij bracht mij naar haar elfengrot,
En staarde maar en zuchtte zwaar:
Haar ogen wild, met kussen vier
Sloot ik haar daar.

Haar zingen suste mij in slaap,
Daar droomde ik toen -- Wee mijn ziel!
De laatste droom door mij gedroomd
Op de heuvel kil.

'k Zag bleke vorsten, prinsen bleek,
Strijders zo bleek, zo doods als 't graf,
Hun kreet: "La belle Dame sans Merci
Maakte jou slaaf."

Bij schemer zag 'k hun dorre mond,
Bar waarschuwend, geopend wijd,
Werd wakker, op de heuvel kil
Bevond ik mij.

Dat is waarom ik hier verblijf,
Een bleek en eenzaam zwerveling.
Al stierf de bies in 't meer terwijl
Geen vogel zingt.'

Vert. Peter Verstegen

 

1 mei 2021, K. Michel:

Herinneringen, wie onthoudt die nou
ze schieten door je kop, ze lossen
als klaprozen op

het is net jeuk daar
waar je niet krabben kunt,
nee daar, ja daar, au

iemand achter je op de roltrap
die zijn handen “rara wie ben ik”
Voor je ogen houdt, herinneringen:

jij vergeet hen maar zij onthouden jou

 

24 april 2021, Vladimir Nabokov:

Zachtste aller talen

Tot heel wat dingen sprak ik wat lippen misleidt
en ze verlaten achterlaat (: prosjtsjaj, het woord dat
‘vaarwel’ betekent) - tot gemeubileerde kamers, zei ik het,
tot straten zei ik het, tot melkwitte oplosletters in de lucht,
tot grauwe patronen die je zelden op kleding ziet,
tot romans, door razende tunnels onderbroken,
door zoevende bomen geannoteerd, liggen gelaten
met de schil van een banaan erin geplet,
tot een nog schimmige ober in een nog schimmigere stad,
tot wonden die genazen en tot een handschoen die geen duim
meer had, evenals tot zaken met poëtische allure
en universelere misschien, tot onder meer de liefde.
Daardoor was het leven een eindeloos spoor door land
dat even eindeloos terugweek… Dat was het dan,
zeg je bij jezelf, en je wuift met je hand,
wuift met je zakdoek en dan met je hoed.
Tot al deze dingen sprak ik het fatale woord,
in een taal die ik zo afgesteld had en gedresseerd
dat ik - als zo’n oude sonnettendichter - kon horen
hoe de weerklank ervan door het nageslacht werd hooggeacht.
Maar nu moet ook jij gaan, onze wegen gaan hier uiteen,
zachtste aller talen, mijn enig ware, mijn ene, vaste…
En mij rest niets anders dan naar kunst en hart te tasten
en opnieuw te beginnen met lompe werktuigen van steen.

Vert. Huub Beurskens 

 

17 april 2021, Anti-Canto 7 - H.H. ter Balkt:

Ach

Dit dorp, ach
dik in ’t blad; roze.
Zomers bestofter
dan jij en ik ooit
dekten ons toe.

Kinderen groene
noten schommelden.
Waren, zoveel wegen,
Waar blaast, voert
wind naar ons toe.

Weer herfst onder
wol, blad overdekt
de grond, veel mist:
herinner je; ’t felst
geel verbleekt er.

Geen harteklop
of wil, hoe de zon
’t water blakert:
de vis kapseist en
lelietje van het dal.

Snik; schater. Tijd
de gemene tijd rijpt
sneeuw en noot. Vol
of leeg sluit (witte
dag) kou zijn ring.

 

10 april 2021, uit 111 Hopla's - Judith Herzberg:

Boontjes
Als je goed naar sperzie-
boontjes kijkt, zie je iets
dat op dolfijnensnuitjes lijkt.